
De ontwikkeling van de archeologie in Suriname vangt aan in de tweede helft van de negentiende eeuw met het werk van plantage-eigenaar Christiaan Hering (1829–1907), die als eerste systematisch aandacht besteedt aan archeologische vondsten in het land. Na zijn activiteiten valt het onderzoek gedurende meerdere decennia grotendeels stil. Pas rond de Tweede Wereldoorlog wordt het archeologisch onderzoek hervat door Dick Geijskes (1907–1985). Hij verricht onder meer opgravingen op de kunstmatige heuvel Hertenrits (1957) en bij Kwatta Tingiholo (1961). Geijskes pleit nadrukkelijk voor de oprichting van een zelfstandige archeologische dienst in Suriname.
In 1965 wordt een Archeologische Dienst opgericht, zij het niet als autonoom instituut, maar als onderdeel van het Surinaams Museum. De eerste leiding berust bij museumconservator Piet Bolwerk (geb. 1934). In 1973 volgt Arie Boomert (geb. 1946) hem op. Tussen 1975 en eind 1980 is Aad Versteeg (geb. 1944) als archeoloog aan het museum verbonden. Versteeg verricht onderzoek op circa zestig archeologische vindplaatsen. Ook bestuurslid en bosbouwer Frans Bubberman (geb. 1928) levert een belangrijke bijdrage aan de archeologie in Suriname. In samenwerking met medebestuurslid en geoloog Joost Janssen ontdekt hij meer dan tweehonderd archeologische sites.
Op basis van het verzamelde materiaal wordt in Fort Zeelandia een archeologische presentatie ingericht over de vroegste bewoners van Suriname.
Op 1 oktober 1980 wordt de Archeologische Dienst omgevormd tot een overheidsinstelling, onder leiding van Ben Mitrasingh (geb. 1944), die deze functie tot het einde van de jaren tachtig vervult. Na zijn vertrek blijft een opvolger uit, waarna de dienst geleidelijk aan in verval raakt. Sinds 2000 is de archeologische collectie opnieuw ondergebracht bij het Surinaams Museum, waar met ondersteuning van Versteeg een nieuwe presentatie is gerealiseerd. Het museum vervult sindsdien opnieuw een actieve rol in archeologisch onderzoek.
De archeologische collectie bestaat hoofdzakelijk uit aardewerk en is volledig precolumbiaans; het archeologisch onderzoek in Suriname richt zich derhalve op materiële resten van vóór 1492. De vroegste menselijke aanwezigheid in Suriname dateert van circa tienduizend jaar geleden. Van deze eerste bewoners zijn weliswaar archeologische sporen aangetroffen, maar blijft de kennis over hun leefwijze beperkt. Wel is het latere bevolkingsproces beter te reconstrueren.
Ongeveer 2500 jaar geleden migreren Arowakse groepen vanuit het westen naar het gebied. Deze landbouwers verdringen eerdere bewoners, vestigen zich onder meer op kunstmatige woonheuvels zoals de Hertenrits en verbouwen cassave. Rond negenhonderd jaar geleden volgen Caribische groepen, die vanuit het oosten het huidige Suriname binnentrekken. Van beide taalgroepen is representatief archeologisch materiaal in de collectie van het museum aanwezig. Hieronder worden enkele bijzondere objecten uitgelicht.

De collectie Beeldende Kunst van het museum omvat beeldhouwwerken, schilderijen, prenten en drie zeldzame diorama’s. Diorama’s zijn kijkkasten waarin een driedimensionale voorstelling in perspectief wordt gepresenteerd en die een belangrijke rol speelden in de negentiende-eeuwse visuele cultuur als middel om landschappen, stadsgezichten en het dagelijks leven te documenteren en te verbeelden.
De drie diorama’s in de collectie werden in 2005, ter gelegenheid van het dertigjarig jubileum van de Surinaamse onafhankelijkheid, door Nederland aan Suriname geschonken. Zij zijn vervaardigd door Gerrit Schouten, de eerste Surinaamse kunstenaar van kleur die nationale en internationale erkenning verwierf en in staat was in zijn levensonderhoud te voorzien door zijn artistieke werk. Schouten produceerde vermoedelijk een groot aantal diorama’s; vandaag de dag zijn er ruim veertig exemplaren bekend. Deze bevinden zich in zowel particuliere als museale collecties, voornamelijk in Nederland, maar ook in andere landen. In Suriname zijn vier diorama’s bewaard gebleven, waarvan één in het bezit is van de Centrale Bank van Suriname. Het museum beheert daarnaast een waardevolle reeks botanische tekeningen van Schouten, die zowel artistiek als wetenschappelijk van belang zijn vanwege hun gedetailleerde weergave van de Surinaamse flora.
Naast Schouten is de negentiende eeuw in de museumcollectie vertegenwoordigd door diverse Europese kunstenaars die zich tijdelijk of langdurig in Suriname vestigden. Tot de bekendste namen behoren Willem Winkels (1808–1892/1908), Nicolaas Box (1785–1864), J.C. Voorduin (1799–1878) en Théodore Bray (1818–1887). Hun werk biedt een visueel-historisch perspectief op Suriname in de koloniale periode en weerspiegelt tegelijkertijd de artistieke opvattingen en esthetische tradities van hun herkomstlanden.
In de periode na Schouten volgen veel Surinaamse kunstenaars een opleiding in Europa of ontwikkelen zij hun werk binnen een overwegend westerse kunsttraditie. Vanaf de jaren vijftig van de twintigste eeuw ontstaat echter een groeiende belangstelling voor het formuleren van een eigen, herkenbare Surinaamse beeldtaal, waarin lokale geschiedenis, identiteit en culturele diversiteit centraal staan. De Nederlandse kunstenares Nola Hatterman (1899–1984), die zich in 1953 in Suriname vestigt, speelt in deze ontwikkeling een sleutelrol als docent en mentor voor een nieuwe generatie Surinaamse kunstenaars. Het museum bezit meerdere werken van haar hand.
Ook de internationaal gerenommeerde Surinaamse kunstenaar Erwin de Vries (geb. 1929) is in de collectie vertegenwoordigd met zowel beeldhouwwerken als schilderijen, waarin thema’s als menselijkheid, expressie en nationale identiteit een prominente plaats innemen. Sinds de jaren negentig is de collectie verder uitgebreid door schenkingen, waardoor ook hedendaagse Surinaamse kunst een plaats heeft gekregen. Hiermee weerspiegelt de collectie niet alleen de historische ontwikkeling van de beeldende kunst in Suriname, maar ook haar voortdurende dynamiek en vernieuwing.
Meubels
De meubelcollectie van het Surinaams Museum bestaat voornamelijk uit Europees meubilair en meubelen die zijn vervaardigd naar Europees voorbeeld. Onder meer Thonetbanken en zware kasten schetsen een beeld van de levensstijl van de koloniale elite in de negentiende eeuw, die ernaar streefde het leven in Suriname zoveel mogelijk te laten aansluiten bij de vertrouwde Europese leefwijze.
Een van de topstukken van de collectie is een imposant hemelbed, in 1829 vervaardigd uit mahoniehout door meubelmaker Podekowitz, gevestigd aan de Wagenwegstraat. In 1943 werd dit bed geschonken aan prinses Juliana, die het in 1954 op haar beurt aan het Surinaams Museum schonk.
Daarnaast is de dyarusu sturu, ook wel ‘jaloeziestoel’ genoemd, een bijzonder object binnen de collectie. Dit opvallende stoelmodel uit de achttiende eeuw kreeg in Suriname een specifieke betekenis en werd gebruikt binnen rituelen van de winti-cultuur.

De oorsprong van de bibliotheek van het Surinaams Museum gaat terug tot 1854 en maakt haar tot een van de oudste culturele kenniscollecties van Suriname. In de loop van anderhalve eeuw is zij uitgegroeid tot een gespecialiseerde onderzoeksbibliotheek met een bestand van meer dan 35.000 titels. Enkele honderden werken dateren uit de zeventiende en achttiende eeuw en behoren daarmee tot het vroegste gedrukte en handgeschreven materiaal over Suriname en het bredere Caribisch gebied.
Het zwaartepunt van de collectie ligt bij publicaties over de geschiedenis, cultuur, literatuur en maatschappij van Suriname. Tot het einde van de twintigste eeuw maakte ook een omvangrijke natuurhistorische verzameling deel uit van de bibliotheek. Deze werken, die betrekking hadden op onder meer botanica, zoölogie en geografie, zijn in de jaren tachtig overgedragen aan de Anton de Kom Universiteit van Suriname, waar zij sindsdien worden beheerd in een academische context.
De bibliotheek herbergt een aantal uitzonderlijke en unieke stukken. Tot de meest bijzondere behoort een gesigneerd en aan zijn ouders opgedragen exemplaar van de eerste druk van de debuutroman van Albert Helman (1903–1996), een invloedrijke Surinaamse schrijver, politicus en cultuurdenker. Daarnaast omvat de collectie een onuitgegeven typoscript van Wim Bos Verschuur (1904–1985), die een belangrijke rol speelde in de politieke en maatschappelijke geschiedenis van Suriname, evenals een bundel handschriften van de jurist en rechter A.F. Lammens (1767–1847), die waardevolle inzichten bieden in het koloniale bestuur en het rechtssysteem van de negentiende eeuw.
Een bijzonder internationaal belang heeft de vrijwel complete verzameling Surinaamse almanakken die in de bibliotheek wordt bewaard. Deze jaarlijkse uitgaven, waarin administratieve gegevens, statistieken, kalenders en maatschappelijke overzichten werden opgenomen, vormen een onmisbare bron voor historisch, genealogisch en sociaal-wetenschappelijk onderzoek naar de ontwikkeling van Suriname door de eeuwen heen.
De bibliotheek is toegankelijk voor onderzoekers en geïnteresseerden op afspraak en vervult daarmee een belangrijke rol als kenniscentrum en studievoorziening binnen het Surinaams Museum.
Foto Archief
Suriname beschikte al in 1875 over een Koloniaal Museum, voortgekomen uit het museum dat sinds 1864 werd beheerd door het Surinaams Genootschap ter Bevordering van Kennis. Helaas kwam hier in 1908 een einde aan, nadat een door de overheid ingestelde commissie had geoordeeld dat de collecties van geringe betekenis waren en zich in een staat van ernstig verval bevonden. Het schoolmuseum dat vervolgens met de resterende objecten werd opgericht, bleef bestaan tot de liquidatie in 1929. In 1930 werden de overgebleven collecties geveild. Daarna bleef het lange tijd stil op het gebied van het behoud van cultureel erfgoed in Suriname.
Juist omdat er, met name tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen onder andere veel Amerikanen in Suriname verbleven, grote hoeveelheden cultureel erfgoed het land verlieten, werd in 1947 door een bezorgde groep betrokkenen het Surinaams Museum opgericht.
De Stichting Surinaams Museum bestaat inmiddels bijna zeventig jaar en heeft in die periode een aantal bijzondere collecties opgebouwd. Eén daarvan is de omvangrijke fotocollectie, die uit meer dan 10.000 afbeeldingen bestaat. De oudste foto’s dateren uit de jaren 1870 van de negentiende eeuw.
In samenwerking met het Nationaal Historisch Museum in Nederland kon deze website worden gerealiseerd. Hier wordt momenteel een selectie van ruim 2.300 foto’s uit het museumarchief gepresenteerd. Beschikt u over aanvullende informatie, dan nodigen wij u van harte uit deze met ons te delen. Alleen door samenwerking kunnen wij de historische kennis verder verdiepen en toegankelijk maken voor een breed publiek.
Door op een van de onderstaande link te klikken, wordt u automatisch doorgelinkt naar de website waar onze collectie is ondergebracht.

In Suriname worden de Inheemse volken traditioneel onderscheiden in bovenlandse (binnenlandse) en benedenlandse (kustgebonden) groepen, een indeling die samenhangt met hun geografische verspreiding en leefomgeving. Langs de kust en in het laagland leven de Lokono, die een Arowakse taal spreken, en de Kali’na, wier taal tot de Caribische taalfamilie behoort. In het binnenland bevinden zich in het zuidoosten de Wayana en in het zuiden de Trio en Akurio, die allen Caribische talen spreken.
Binnen deze gemeenschappen vormt aardewerk een belangrijk onderdeel van de materiële cultuur. De vervaardiging ervan berust traditioneel vooral bij vrouwen en omvat onder meer potten, schalen en kruiken voor dagelijks en ceremonieel gebruik. Met name het keramiek van de Caribisch sprekende groepen staat bekend om zijn verfijnde vormgeving en decoratie. Het Surinaams Museum beheert enkele honderden aardewerken objecten die met deze Inheemse tradities verbonden zijn en die inzicht bieden in zowel esthetische als functionele aspecten van het dagelijks leven.
In de museumcollectie bevinden zich daarnaast diverse voorwerpen die direct gerelateerd zijn aan rituelen en sociale gebruiken. Bijzonder zijn de gevlochten matten, bekend als kunana, waarin mieren of wespen worden vastgeklemd, evenals de dansattributen die door de Wayana worden gebruikt tijdens de maraké. De maraké is een initiatieritueel dat de overgang van jeugd naar volwassenheid markeert en traditioneel om de paar jaar wordt uitgevoerd. Centraal in dit meerdaagse ceremonieel staat een beproeving van uithoudingsvermogen en fysieke weerbaarheid. Jongens van ongeveer twaalf jaar ondergaan na een nacht van dans en zang een ritueel waarbij een rijk versierde kunana, gevuld met tientallen tot honderden mieren of wespen, tegen hun rug wordt gedrukt. Het doorstaan van de steken of beten wordt gevolgd door een periode van vasten en afzondering, waarmee de overgang naar een nieuwe levensfase wordt bekrachtigd. Tegenwoordig wordt dit ritueel nog slechts zelden uitgevoerd. Ook andere Inheemse groepen kennen vormen van initiatie, zij het doorgaans minder uitgebreid dan bij de Wayana.
De materiële cultuur van alle Inheemse volken in Suriname is nauw verbonden met de natuurlijke omgeving. Grondstoffen zoals klei voor keramiek, plantaardige vezels voor vlechtwerk en zaden, veren en pigmenten voor versiering en symbolische expressie worden op duurzame wijze uit het landschap verkregen. Deze nauwe relatie met de natuur weerspiegelt zowel praktische kennis van het ecosysteem als diepgewortelde culturele en spirituele opvattingen.
De Akurio vormen een bijzonder hoofdstuk in de recente geschiedenis van Inheemse volken in Suriname. Zij kwamen in 1969 in contact met de buitenwereld en stonden tot die tijd bekend om hun grotendeels nomadische levenswijze. In de decennia daarna vestigden zij zich in de Trio-dorpen Kwamelasamutu en Pelelu Tepu. Het museum bezit van de Akurio onder meer aardewerken potten, kammen en traditionele schaamschortjes, evenals een serie historische foto’s die zijn gemaakt in de periode van het eerste contact. Deze objecten en beelden vormen een belangrijke bron voor het bestuderen van culturele veranderingen en continuïteit in de moderne tijd.

Europese gemeenschappen in Suriname trachtten hun vertrouwde levensstijl zoveel mogelijk te handhaven en importeerden daartoe uiteenlopende gebruiks- en sierobjecten, waaronder meubilair en een breed scala aan metalen en glazen voorwerpen. In de museumcollectie is met name het keukengerei uit koper en messing ruim vertegenwoordigd, wat inzicht biedt in de dagelijkse huishoudpraktijken van de koloniale elite. Tot de opmerkelijke stukken behoren onder meer een achttiende-eeuwse appelketel met een Hebreeuwse letter op het deksel en een zogenoemde evenveeltjespan, die werd gebruikt voor het bereiden van specifieke gerechten en zo een venster biedt op culinaire tradities uit die periode.
De Joodse gemeenschap, die in de loop van de negentiende eeuw een steeds zichtbaarder en invloedrijker positie in de Surinaamse samenleving innam, heeft eveneens een betekenisvolle materiële erfenis nagelaten. De collectie omvat onder meer gebedsriemen (tefillin), rituele kandelaars en een rijk versierde Thorarol. Bijzonder zijn twee koperen plaquettes met Hebreeuwse inscripties, die vermoedelijk afkomstig zijn van de deuren van de synagoge in Jodensavanne, een van de vroegste Joodse nederzettingen in het westelijk halfrond. Deze objecten vormen tastbare getuigen van religieuze praktijken en gemeenschapsvorming binnen de koloniale context.
De introductie van glas in Suriname door Europese handelaren en kolonisten heeft geleid tot een omvangrijk archeologisch en museaal corpus. Door het ontbreken van vorst in de Surinaamse bodem blijven glazen objecten die in de grond terechtkomen vaak uitzonderlijk goed bewaard. Op voormalige plantages worden dan ook regelmatig grote concentraties glazen flessen en fragmenten aangetroffen. Het Surinaams Museum beheert een glascollectie die teruggaat tot het midden van de zeventiende eeuw en die belangrijke informatie biedt over handelsnetwerken, consumptiepatronen en technologische ontwikkelingen.
Ook textiel en kleding vormen een wezenlijk onderdeel van de collectie en weerspiegelen sociale hiërarchieën, religieuze identiteit en veranderende modebeelden. Het spectrum varieert van Joodse gebedskleding en koloniale uniformen tot de karakteristieke charlestonjurken uit de jaren twintig van de twintigste eeuw. Daarnaast bewaart het museum zogenoemde merk- en stoplappen, waarmee jonge Europese vrouwen aan het einde van de negentiende eeuw hun vaardigheden in borduren en handwerken ontwikkelden, evenals een omvangrijke verzameling babykleding uit het begin van de twintigste eeuw.
Een bijzonder en symbolisch object binnen de collectie is het ambtstenue van Johan Ferrier, de laatste gouverneur en tevens de eerste president van Suriname. Dit kledingstuk markeert de overgang van de koloniale periode naar de postkoloniale staat en belichaamt daarmee een belangrijk moment in de nationale geschiedenis.

Binnen de Marronculturen van Suriname neemt houtsnijwerk een centrale plaats in als zowel functionele ambachtelijke praktijk als vorm van artistieke expressie. Hoewel de vormentaal en motieven duidelijke wortels hebben in West- en Centraal-Afrikaanse tradities, heeft deze kunstvorm zich vanaf de negentiende eeuw in Suriname tot een autonome en per gemeenschap onderscheiden stijl ontwikkeld. Elke Marrongroep kent eigen decoratieve conventies, symboliek en technische benaderingen, die samen een rijk en gevarieerd cultureel landschap vormen.
Het Surinaams Museum beheert een omvangrijke collectie van circa 1.300 objecten die deze traditie documenteren. De verzameling omvat onder meer zitbanken, peddels (pagaaien), roerspanen, muziekinstrumenten, pindawrijfplanken, grote vijzels met bijbehorende stampers, waskloppers en kammen. Een klein maar betekenisvol deel van deze voorwerpen dateert uit de negentiende eeuw en behoort daarmee tot de vroegste materiële getuigen van de Marron-esthetiek in Suriname.
Ongeveer tweehonderd objecten, voornamelijk afkomstig van de Ndyuka, werden in de jaren vijftig en zestig van de twintigste eeuw verzameld door SSM-bestuurslid Richard Abbenhuis. Hij documenteerde de herkomst en context van de stukken door middel van interviews met de makers en hun gemeenschappen, waardoor deze deelcollectie uitzonderlijk goed is voorzien van etnografische en historische gegevens.
Naast houtsnijwerk geniet ook de Marronkleding internationale erkenning en behoort zij tot de meest toonaangevende collecties in haar soort. De verzameling bestaat uit omslagdoeken, lendendoeken, hoofddeksels en beenbanden. Het gebruikte textiel is vaak rijk geborduurd of samengesteld uit zorgvuldig gekozen en gecombineerd lapjes stof, waarbij kleur, patroon en compositie een belangrijke symbolische en esthetische rol spelen. Net als bij de Creoolse koto-traditie krijgen ook binnen de Marronculturen veel stoffen en patronen specifieke namen, die verwijzen naar gebeurtenissen, personen of morele en sociale betekenissen. Deze textiele objecten fungeren daarmee niet alleen als kledingstukken, maar ook als dragers van verhalen en collectief geheugen.
Creolen
Binnen de cultuur van de Creolen, de nakomelingen van tot slaaf gemaakte Surinamers, neemt textiel van oudsher een belangrijke plaats in. Met name de kleding van de kotomisi, de Creoolse vrouw die de traditionele koto draagt, vormt een krachtig middel om sociale status, identiteit en gebeurtenissen tot uitdrukking te brengen. De kotomisi-cultuur beleefde haar bloeiperiode aan het einde van de negentiende eeuw. De koto, de benaming voor de complete dracht, bestaat uit verschillende onderdelen, waaronder een hoofddoek (angisa), een lange, wijde rok, een jakje en soms een schouderdoek. Het oudste textielobject in de collectie van het Surinaams Museum is een tapuskin pangi (schouderdoek) uit circa 1780.
Bij bijzondere gelegenheden werden speciaal bedrukte stoffen vervaardigd, bijvoorbeeld ter gelegenheid van de afschaffing van de slavernij, de Surinaamse onafhankelijkheid en kerkelijke of koninklijke vieringen en jubilea. Andere doeken ontlenen hun naam aan het patroon dat zij dragen, terwijl weer andere worden vernoemd naar alledaagse gebeurtenissen. Daarnaast bestaan er de zogenoemde odo: spreekwoorden die als naam aan een specifiek stofpatroon worden verbonden. Niet alleen de stoffen zelf, maar ook de verschillende bindwijzen van de angisa hebben een eigen naam en betekenis. Er zijn eenvoudig geknoopte doeken voor dagelijks gebruik en kunstig gevouwen angisa voor feestelijke gelegenheden. Veelzeggende namen zijn onder meer Let them talk, Wacht mij op de hoek en Volg mij. Voor rouw bestaan aparte angisa, met specifieke kleuren en bindwijzen.
In het depot van het Surinaams Museum worden vele honderden Creoolse kledingstukken bewaard. Antropoloog Laddy van Putten en textieldeskundige Janny Zantinge stelden in 1988 met deze collectie de tentoonstelling Let them talk samen, die een historisch overzicht bood van deze rijke kleedtraditie.
Naast textiel valt binnen de Creoolse cultuur ook het veelvuldige gebruik van (sier)koperwerk op, evenals lokaal vervaardigd meubilair, soms voorzien van inlegwerk. Tot slot is er de grote historische voorliefde voor het Nederlandse koningshuis. In veel Creoolse huishoudens bevonden en bevinden zich serviezen en herinneringsborden met afbeeldingen en teksten die verwijzen naar het Huis van Oranje. Het Surinaams Museum beschikt ook op dit gebied over een omvangrijke collectie.

De aanwezigheid van Chinezen in het Caribisch gebied kan reeds aan het begin van de negentiende eeuw worden vastgesteld. In 1853 arriveert een eerste groep Chinezen uit Nederlands-Indië in Suriname. In tegenstelling tot latere migratiestromen van Hindostaanse en Javaanse contractarbeiders, kwamen de meeste Chinese migranten niet primair om op de plantages te werken, maar vonden zij hun bestaansmiddelen vooral in de handel en dienstverlening. In de loop van de tijd verwierven zij een prominente positie binnen het midden- en kleinbedrijf, met name als winkeliers en ondernemers, en speelden zij een belangrijke rol in de economische en sociale infrastructuur van de Surinaamse samenleving.
Het Chinese erfgoed binnen de collectie van het Surinaams Museum is relatief bescheiden van omvang en bestaat voornamelijk uit fotografisch materiaal. Een bijzondere plaats neemt het werk in van de fotograaf Oosterling, die een groot aantal portretten vervaardigde van Chinese families en individuen. Kenmerkend voor deze foto’s is dat veel exemplaren met de hand zijn ingekleurd, een techniek die niet alleen de esthetische waarde verhoogt, maar ook een levendig beeld geeft van kleding, statussymbolen en sociale identiteit in de betreffende periode.
Daarnaast omvat de collectie een beperkt aantal, maar cultuurhistorisch waardevolle objecten, waaronder muziekinstrumenten en originele, kwetsbare kledingstukken die verband houden met de vroege immigratiegeschiedenis. Een belangrijk deel van deze objecten werd verworven naar aanleiding van een overzichtstentoonstelling ter gelegenheid van 140 jaar Chinese aanwezigheid in Suriname, die in 1993 werd georganiseerd in het gebouw van de Chinese vereniging Kong Ngie Tong Sang.
De vereniging Kong Ngie Tong Sang, opgericht in 1888, fungeerde gedurende lange tijd als een sociaal en cultureel centrum voor de Chinese gemeenschap. In het begin van de twintigste eeuw werd hier veelvuldig Matjok gespeeld, de Surinaamse variant van het traditionele Mahjongspel. Het Surinaams Museum beheert een originele Matjok-tafel uit deze periode, die een tastbare herinnering vormt aan het gemeenschapsleven en de recreatieve tradities van de vroege Chinese diaspora in Suriname.

Op 5 juni 1873 arriveert het schip Lalla Rookh in Suriname met de eerste groep van 399 contractarbeiders uit Noord-India. Hun werving vond plaats binnen een zorgvuldig georganiseerd systeem van tussenpersonen, die onder arme boeren en landarbeiders het beeld schetsten van een beloofd land, aangeduid als Shri Rám Nagar, waar men tuinen zou onderhouden en in welvaart zou leven. Tussen 1873 en 1916 volgen in totaal ongeveer 35.000 arbeidsmigranten deze route naar Suriname.
Na afloop van hun contract keert een aanzienlijk deel van deze migranten niet terug naar het subcontinent. Ongeveer twee derde vestigt zich permanent in Suriname, waar zij vaak een eigen perceel verwerven en een bestaan opbouwen in de landbouw. Daarmee leggen zij de basis voor een duurzame gemeenschap die een blijvende invloed uitoefent op de demografische, economische en culturele ontwikkeling van het land.
De migranten, die in Suriname doorgaans worden aangeduid als Hindostanen, brengen een rijk cultureel erfgoed met zich mee. Zij introduceren hun taal, het Hindi, dat zich in de Surinaamse context ontwikkelt tot het Sarnami, dat tot op heden door brede lagen van de gemeenschap wordt gesproken. Daarnaast verrijken zij de Surinaamse cultuur met dans, muziek en culinaire tradities, waarvan de roti internationaal het bekendste voorbeeld is. Ook religieuze stromingen zoals het hindoeïsme en de islam vinden via deze gemeenschap een vaste plaats in de Surinaamse samenleving. Op agrarisch gebied introduceren en versterken zij onder meer de rijstteelt, die met name in het district Nickerie uitgroeit tot een belangrijke economische activiteit.
Het verzamelen van etnografische objecten uit de Hindostaanse gemeenschap wordt bemoeilijkt door culturele gebruiken waarbij persoonlijke bezittingen vaak binnen de familie blijven of, in het kader van uitvaartrituelen, samen met de overledene worden gecremeerd. Desondanks bouwt het Surinaams Museum vanaf de jaren vijftig van de twintigste eeuw geleidelijk een Hindostaanse collectie op. Binnen deze verzameling nemen kleding en sieraden een centrale plaats in. Voor de eerste generatie migranten fungeerden deze objecten niet alleen als versiering, maar ook als een vorm van draagbaar kapitaal en als zichtbaar symbool van sociale status en culturele identiteit.

In 1890 arriveert de eerste groep Javanen in Suriname. Na een aanvankelijk succesvolle werving voor arbeid op de suikerplantage Mariënburg, volgt een door de Nederlandse overheid georganiseerde grootschalige immigratie. Tussen 1890 en 1939 worden meer dan 30.000 mensen uit Nederlands-Indië naar Suriname overgebracht. Ongeveer driekwart van hen vestigt zich blijvend in het land en keert niet terug naar hun gebied van herkomst. Daarmee ontstaat een omvangrijke gemeenschap die een blijvende invloed uitoefent op het culturele en sociale landschap van Suriname.
De Javaanse migranten brengen een rijk geheel van gebruiken, rituelen en materiële tradities met zich mee. Zij dragen in belangrijke mate bij aan de verdere verspreiding van de islam in Suriname en introduceren culinaire en sociale praktijken die tot op heden zichtbaar zijn, zoals de warung, het kleinschalige eethuis dat een vaste plaats heeft verworven in het dagelijks straatbeeld.
Een van de meest karakteristieke en internationaal herkenbare elementen van het Javaanse erfgoed is de wajang-traditie. Het woord wajang betekent ‘schaduw’ of ‘schim’ en verwijst naar het schaduwspel dat vanaf het einde van de negentiende eeuw ook in Suriname wordt beoefend. Voorstellingen vinden traditioneel plaats bij belangrijke levensmomenten, zoals huwelijken en besnijdenissen, en vervullen zowel een ceremoniële als educatieve functie binnen de gemeenschap.
De oudste en meest verbreide vorm is Wajang Kulit, waarbij tweedimensionale, uit leer gesneden poppen worden gebruikt om verhalen en morele lessen uit te beelden. Later ontwikkelen zich ook driedimensionale varianten met houten figuren, waaronder Wajang Golek en Wajang Klitik. Het Surinaams Museum beheert een verzameling wajang-poppen die teruggaat tot het begin van de twintigste eeuw en die inzicht biedt in de artistieke technieken en narratieve tradities van deze vorm van immaterieel erfgoed.
Sinds het midden van de twintigste eeuw is de collectie verder uitgebreid met objecten die het alledaagse en rituele leven van de Javaanse gemeenschap documenteren, waaronder kleding, keukengerei, landbouwgereedschap en muziekinstrumenten zoals de gamelan. Samen weerspiegelen deze voorwerpen de voortdurende wisselwerking tussen behoud van culturele identiteit en aanpassing aan de Surinaamse context.








